16-1&2-07

DE KACHEL OP DE PAAL.

 

 

Sommigen van de ouderen herinneren het zich wellicht nog beter, want de beruchte historie van "De Kachel op de Paal" heb ik zelf maar van horen vertellen. Het verhaal komt echter steevast terug.

 

Het moet op een maandag geweest zijn. Marktdag in Hulst en als naar gewoonte kwamen er dan extra bussen vanuit Sint-Niklaas met meestal dames, die er een gezellig dagje van wilden maken.  Zij hadden het vooral gemunt op de goedkopere produkten in "Holland" en wat eerst een half kilootje boter werd, werden er al gauw twee en méér.

Dat ging een tijdje goed en aanvankelijk hadden de douaniers op de Paal wel wat beters te doen dan een bus met winkelende Sint-Niklase vrouwen te controleren.

Het leidde tot méér driestheid en een echte smokkelmanie met bussen vol dames, die er bij hun terugkeer uit Hulst steeds dikker bij werden.

De komiezen kregen dat uiteindelijk toch in de gaten en meenden dat de oorzaak van deze plotse zwaarlijvigheid niet alleen de taartjes en hapjes op de markt in "de stad van Hulst" kon zijn.

Toen kwam er één van die groene mannen op het idee om een hele bus smakkende madammen te laten uitstappen en ze allemaal samen in een klein wachtlokaaltje urenlang te laten wachten voor identiteitscontrole.  Inmiddels werd zo'n kleine, hevige kolenkachel opgepookt en gestookt dat de gensters in het ronde vlogen. Wat verborgen zat, kwam vrij. De puffende en steeds roder wordende dames werden ook smaller en op de vloer van het wachtlokaaltje vormde zich een grote plas gesmolten boter. Kleren en mantels werden doordrenkt van de weeïge geur, die alleen verdwijnt als je er ook nog iets in bakt. Niemand weet te vertellen hoe de vrouwen terug thuis zijn geraakt, want wie van hen zou durven bekennen dat zij hier bij was.

Wim PERSOON


IK WAS EEN SMOKKELAAR.

 

Mijn moeder zegde altijd:"Maak eerst uw huiswerk en rijd dan nog twee keer over. We waren er voor voorbestemd.  We leefden in het geschikte tijdsklimaat en Ons Heer had ons dan maar niet zo dicht bij de Hollandse grens en de Hellestraat moeten droppen.  Het smokkelen behoort tot mijn vroegste jeugdherinneringen. Ik ben er nog een van aan het eind van de oorlog, dus bij de eerste tekenen van leven die ik heb opgevangen, behoren zeker die fluisterende gesprekken, die sfeer van geheimzinnigheid en de verhalen over donkere bossen, kloppende harten, schrik om "gepakt" te worden en de opluchting wanneer het weer eens allemaal gelukt was.

Het "over rijden" moet voor mij dateren van begin de jaren vijftig. Was ik acht of tien toen het de eerste keer was? Of was het zelfs vroeger?  Ik herinner het mij niet meer zo precies, maar kinderarbeid was ons niet vreemd en het smokkelen was daar één van de verschijnselen van.  Het is alsof ik tot begin de jaren zestig elke dag met een oud fietsje de grens ben overgestoken.  In ieder geval herinner ik mij kou en regen en ook hevige warmte, met zoemende insecten langs "wegels" met mul zand.  Smokkelen in alle seizoenen, zo lijkt het me nu.

Er waren ook twee routes. Daar ben ik zeker van.  Eén via de Hellestraat naar de Hollandse Heikant en één naar Koewacht, langs de Heikant en Nieuwdorp.  Ik heb me altijd afgevraagd waarom plots die lange Hellestraat van naam veranderde en "Ellestraat" werd.  Later ben ik daar wel achter gekomen, maar dat is een ander verhaal.  Er was daar die fameuze grenspaal, die me steeds bleef fascineren, want hier waren we plots in een ander land.  Er was het wegeltje dat rechts aan dat wachthuisje van de douaniers recht naar het winkeltje van "Michelleke" leidde.  Dat wegeltje is er nog, maar de bomen zijn anders geworden.  In mijn herinnering staan er nog bomen die hun blaren verliezen, beuk en eik, en kwamen de dennen pas later, samen met de weekendverblijvers.

Bomen zonder loof leken me voordeliger: je kon 's winters veel vroeger de "commiessen" opmerken, al staken die dan wel in een groen uniform en dat zal wel zijn reden gehad hebben.  "Blauwe" waren Hollandse en daar hadden we niet zo'n schrik van.  We dachten dat die het smokkelen eerder aanmoedigden voor hun "export".  Hoewel?  Soms was dat verkeerd gedacht.  In ieder geval waren onze jonge ogen geoefend en zodra we een tweetal "groene vijanden" opmerkten, vonden we wel een afslag om hen te ontwijken.  De wegen en wegeltjes in het Land van Waas -en zeker in de Stekense grensstreek- waren, en zijn soms nog: krom ende menigvoudig, zoals reeds in de Reinaert geschreven staat.

Michelleke van het winkeltje op de Hollandse Heikant herinner ik me als een kleine, vinnige veertiger.  Hij verkocht kruidenierswaren vooraan, maar in zijn achterkeuken had hij wellicht tonnen boter gestapeld.  "De Grote Koe" stond er op de wikkels.  Later kwam er ook "Zeeuws Meisje", maar ik denk dat daar al mee gefoefeld was, vermengd met margarine, want die smaakte anders.  Ik had telkens maar drie kilogram nodig.  Méér kon er niet in mijn "carnasièrke", zoals wij onze boekentas noemden.  Dat "carnasièrke" zal wel naar de boter geroken hebben toen ik bij de broeders in de Nieuwstraat binnenkwam.  Misschien zou broeder Angelicus dat kunnen bevestigen.  Spijtig dat ik hem dat niet meer heb gevraagd toen het nog kon.  Misschien was het daarom (ik zat bij hem in het derde studiejaar) dat hij altijd aan mijn kaken draaide met zijn duim en wijsvinger.  "Hé manneke, weer gesmokkeld,hé!" Of had ik weer mijn mond niet kunnen houden?  Blijkbaar waren we toen al niet van de braafsten.Ik zal het hem eens vragen als we ooit samen "Hierboven" nog eens een terraske doen.

In ieder geval kreeg ik van Michelleke telkens ook nog een snoepje.  Het loon van de kindsmokkelaar. Die Hollandse snoepjes smaakten anders dan die van Lone Pap, Lenie Van Callekens, Yvonne Van Himste of Angèle Dhollander. Het zal wel "Turks Fruit" geweest zijn  of "hopjes".  Indien mijn leverancier dat durfde te vergeten, bleef ik wat treuzelen.  Ik prutste wat aan mijn "carnasièrke" of kreeg de deur van de winkel niet open.  Zonder snoepje kon je die risico's van de terugkeer minder goed aan.  Daar waren we van overtuigd.

 

Michelleke had ook nog dochters, maar daar wist mijn broer Guido (zaliger) veel méér over te vertellen.  Die was twaalf jaar ouder dan ik en al "capabel" om die twee dingen te combineren.  Het is hem op een dag echter maar slecht bekomen.  Toen Guido met een spiksplinternieuwe Amerikaanse Dodge vijfentwintig kilo boter tegelijk probeerde over te brengen, werd hij op een keer "gepakt" door de Hollandse douanen, wat ongewoon was.  Allemaal jaloezie, zegde Guido, en zo zal het wel geweest zijn.  Hij heeft de boter en de betreffende dochter dan maar gelaten voor wat ze waren.

Dit voorval betekende bij ons ook het einde van het smokkelen op middelgrote schaal.  Bij ons thuis vonden ze dat de risico's té groot waren en bovendien scheelde het maar weinig of wij konden die schone, lichtblauwe slee afgeven aan die smerige komiezen.  En dan nog aan Hollandse!  Het bleef dus bij de minder gevaarlijke tochtjes van de "kleine mannen".  Die brachten ook al eens een kist sigaren (Willem II) of een fles Bols (of twee) mee. Daar heb ik dan zelf eens pech mee gehad.  In de Hellestraat botste ik op twee van die groene mannen met hun veel te grote kepi.  "Kom eens hier manneke, wat zit er in uw carnasièrke?"  Loochenen had weinig zin, want de hals van een fles jenever zat uitdagend naar buiten te kijken.  "Gade da zelf opdrinken of zijde aan 't smokkelen?"  Er zat niets anders op dan bibberend te bekennen dat dit van Michelleke afkomstig was.

 

Nochtans was ik daar èèn van die mannen aan het café van De Kriekes voorbijgereden, die zijn peukje sigaret in zijn rechtermondhoek had geplant.  De kust moest dus veilig zijn.  Had dat peukje links gezeten, dan was ik onmiddellijk teruggedraaid en via de Kemel en de Polderstraat naar de Nachtegaalstraat gereden.  Zij gaven daar immers de signalen voor de grote mannen of die "over" konden of niet.

Pech dus, maar tegelijk had ik geluk.  De commiessen hadden wellicht de tranen van angst in mijn ogen gezien en misschien hadden ze wel medelijden met dat manneke, dat straks aan zijn moeder zou moeten vertellen dat de "buit" afgepakt was.  "Allez, voert dat terug naar waar het vandaan komt en dat we u niet meer tegenkomen!"  Misschien hadden ze die dag zelfs geen goesting om te werken of wilden ze zo vlug mogelijk naar de toog bij De Kriekes om daar af te spreken wie ze de volgende dagen zo allemaal zouden laten passeren.  De pinten stonden daar al klaar en meestal gingen die groene mannen pas naar huis wanneer hun buik vol bier zat en zij een percentje hadden bedongen.

Ik ben toen naar Michelleke niet teruggereden.  Da ziede van hier.  Een goede smokkelaar voert zijn gerief niet terug.  Ofwel wordt het afgepakt, ofwel komt het ter bestemming.  Ik weet niet meer langs waar, maar ik ben thuis geraakt.  Zeker weten, en met alles nog in mijn carnasièrke.  Daarvoor kenden wij de bossen langs de grenskant té goed.

De weg naar de Koewacht was veel langer en ook met méér gevaren.  Je reed er "blak en bloot" en soms leek er geen einde te komen aan die lange betonbaan, één van de eersten in Stekene.  Bovendien moest je langs twee officiële grensposten en om die te ontwijken waren er nogal wat omwegen nodig langs plaatsen, die we niet zo goed kenden.  Na enige tijd was er echter een belangrijk argument om ook dat te overwinnen.  In de schilderswinkel op de Hollandse Koewacht kon je, behalve verf, ook boter kopen.  Daar liep echter ook een dochter van mijn leeftijd rond.  Ik begon dus al te fantaseren over Romeo en Julia en de Twee Koningskinderen en de gevaarlijke grens met de douanen, die onze "grote liefde" zou verhinderen.  Het ging van toen af om méér dan om boter.  Het ging hier ook om het "vlees", maar daar stak de schilder een stokje voor.  Voor vlees moest ik maar naar slagerij Pieter Coenen, dat kon hij mij niet leveren. Ik ging dan maar bij slager Coenen gepelde biefstukken halen, dochters heb ik daar nooit gezien.

Deze ontluikende liefde is dus nooit tot echte bloei gekomen, hoewel de boter soms dreigde te smelten toen ik die uit de handen van de schildersdochter nam en ze in mijn carnasièrke stopte.  Ach, waar zijn de botermeisjes van weleer?  En voor dat alles dreigde telkens ook een confrontatie met de "Migom", die halfweg in de comiessenhuizen in de Kerkstraat woonde.  Dat was er ene, die er niet mee kon lachen.  Onkreukbaar, onomkoopbaar, zo lijkt het me nu, fietste die man dag na dag naar zijn post op de Koewacht. Voor mij betekende het telkens de beangstigende vraag: ga ik hem tegenkomen of niet?  Indien wij elkaar kruisten, leek het alsof die douanier mij telkens in de ogen keek: "Ik weet het wel manneke, gij smokkelt.  Ik zal u wel eens hebben!"

 

Hij heeft mij nooit "gehad".  Waarom?  Misschien omdat ik een voorzichtige vriendschap had aangeknoopt met zijn ongeveer even oude zoon.  Veel later ontmoette ik die zoon regelmatig op de trein naar Brussel.  Hij is een "hoge piet" geworden bij de spoorwegen.  We hebben nog over Stekene gesproken, maar veiligheidshalve is het "smokkelen" achterwege gebleven.  Misschien nog het beste, want anders waren we nooit op ons werk of terug thuis geraakt.  Hij zou verhalen hebben gehad over douaniers, die koud en hongerig thuiskwamen en een beetje rood rond de neus.  Over de peperkoek, die "komiezenhesp" werd genoemd, zou hij gesproken hebben, want de Belgische Staat is nooit gul geweest om de verdedigers van de grenzen naar behoren te belonen.

Wij zouden het gehad hebben over de straatlichten in de Nachtegaalstraat en Hellestraat, die nooit brandden.  En als er dan toch eens een nieuwe lamp werd geplaatst, dan was die de volgende avond alweer gesneuveld door een kei van die mannen, die langs de serren en de weide van Serafien Dhollander naar het vlot op de Stekense vaart moesten met een zware zak op de rug.  Het smokkelen verdroeg voor ons misschien wel het daglicht, voor de "echten" kon het niet donker genoeg zijn.  Voor dat vlot op de vaart zijn we hen nog altijd dankbaar.  Daar heeft zich een groot gedeelte van onze jeugd afgespeeld.  Misschien is dat nog de grootste rijkdom van de hele geschiedenis geweest, want zowel voor mij, als voor de echte smokkelaars én voor de douaniers was het een vorm van leven en overleven.

 

Wim PERSOON